Voorschoolse educatie (vve) in de peuteropvang
Wat de wet vraagt als je voorschoolse educatie aanbiedt: 960 uur in anderhalf jaar, één beroepskracht per acht peuters, taalniveau 3F, tien uur beleidsmedewerker per doelgroeppeuter en toezicht door GGD en inspectie.
Bijgewerkt op · 9 min lezen
Voorschoolse educatie is een programma voor peuters die een risico lopen op een achterstand in de Nederlandse taal. Wettelijk is het de uitvoering van een door de gemeente gesubsidieerd programma dat kinderen beter voorbereidt op de basisschool (artikel 1.1 Wet kinderopvang). Bied je het aan, dan gelden bovenop de gewone kwaliteitseisen voor de dagopvang de eisen van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. In dit artikel lees je welke dat zijn, met een rekenvoorbeeld voor de 960 uur.
Voorschoolse educatie vindt altijd plaats in een kindercentrum (artikel 6). Bij een gastouder kan het niet.
Welke peuters voorschoolse educatie krijgen
Voorschoolse educatie is bedoeld voor peuters van tweeënhalf tot vier jaar. Wie er recht op heeft, bepaalt niet de Rijksoverheid en ook niet jij, maar de gemeente. Het college van burgemeester en wethouders maakt ten minste jaarlijks afspraken over welke kinderen met een risico op een taalachterstand in aanmerking komen, hoe die kinderen worden toegeleid en hoe de overgang naar de basisschool verloopt (artikel 160 Wet op het primair onderwijs). Die afspraken maakt de gemeente met de scholen en met de houders van kindercentra in de gemeente.
Als houder neem je deel aan dat overleg en werk je mee aan de afspraken (artikel 1.50a Wet kinderopvang). De criteria verschillen per gemeente; volgens de Rijksoverheid kijkt een gemeente bijvoorbeeld naar de taal die ouders thuis spreken, en loopt de aanmelding meestal via het consultatiebureau. Een peuter met zo'n indicatie heet in de praktijk een doelgroeppeuter.
De omvang: 960 uur in anderhalf jaar
Artikel 2 van het Besluit legt de minimale omvang vast. Je aanbod moet zo zijn ingericht dat een kind vanaf de dag dat het tweeënhalf wordt, in anderhalf jaar ten minste 960 uur voorschoolse educatie kan ontvangen.
Twee dingen vallen op:
- Het gaat om wat je aanbiedt, niet om hoeveel uur het kind er werkelijk was. Een kind dat een week ziek is, zakt daarmee niet onder de norm.
- Wat je aanbiedt boven zes uur per dag telt niet mee (artikel 2, lid 2). Een lange dag van negen uur levert dus zes uur voorschoolse educatie op.
Hoe je aan de 960 uur komt, beschrijf je in het pedagogisch beleidsplan (artikel 4a, lid 1, onderdeel g).
Waar de zestien uur per week vandaan komt
De Rijksoverheid schrijft dat een kind met voorschoolse educatie ongeveer zestien uur per week gaat. Het Besluit noemt zelf geen uren per week, alleen het totaal: 960 uur in anderhalf jaar is 640 uur per jaar, en dat is zestien uur per week bij veertig openingsweken. Ben je minder weken open, dan heb je per week meer uren nodig.
Voorbeeld: een week die de 960 uur haalt
Een peutergroep volgt de schoolvakanties en is veertig weken per jaar open. In de anderhalf jaar na de tweeënhalfde verjaardag van een peuter zijn dat zestig openingsweken. Per week is dan 960 / 60 = 16 uur nodig.
| Rooster | Aangeboden per week | Telt mee per week | In 60 weken | Haalt 960? |
|---|---|---|---|---|
| ma, di, do en vr van 8.30 tot 12.30 | 16 uur | 16 uur | 960 uur | ja |
| ma tot en met do van 8.15 tot 12.15 | 16 uur | 16 uur | 960 uur | ja |
| di en do van 8.00 tot 17.00 | 18 uur | 12 uur | 720 uur | nee |
| ma, wo en vr van 8.30 tot 14.00 | 16,5 uur | 16,5 uur | 990 uur | ja |
De derde rij laat de zesuursgrens zien: van elke dag van negen uur tellen er maar zes, en er ontbreken 240 uur. Reken daarbij met de echte kalender. Valt in de anderhalf jaar van een kind twee keer de zomervakantie, of ligt je locatie extra dagen dicht, dan haal je met zestien uur per week de 960 uur niet. Sluitingsdagen tellen niet als aanbod.
Beroepskrachten: één op acht, ten hoogste zestien
In een groep waaraan voorschoolse educatie wordt aangeboden staat ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie per acht feitelijk aanwezige kinderen, en de groep telt ten hoogste zestien aanwezige kinderen (artikel 3, lid 1 en 2). De verhouding van één op acht is dezelfde als die in tabel 1 van het Besluit kwaliteit kinderopvang voor een groep van 2 tot 4 jaar; de beroepskracht-kindratio legt die tabel uit.
Het verschil zit in wie meetelt. Bij voorschoolse educatie telt alleen een beroepskracht voorschoolse educatie: iemand die aan de extra eisen hieronder voldoet. Een gewone pedagogisch medewerker zonder die kwalificatie telt voor de dagopvang wel mee, maar niet voor de één op acht van de voorschoolse educatie. Het Besluit kent ook geen afwijkregeling zoals de drie-uursregeling.
Eisen aan de beroepskracht voorschoolse educatie
Artikel 4 vraagt van de beroepskracht voorschoolse educatie:
- een pedagogische opleiding op ten minste mbo-niveau 3 die bij ministeriële regeling is aangewezen;
- een afgerond keuzedeel over ontwikkelingsgericht werken in de voorschoolse educatie, of scholing van ten minste twaalf dagdelen over dezelfde onderwerpen, tenzij die stof al in de opleiding zat (lid 2 en 3);
- aantoonbaar ten minste taalniveau 3F op mondelinge taalvaardigheid en lezen (lid 3a).
Daarnaast stel je jaarlijks per locatie een opleidingsplan vast waarin staat hoe de kennis van je beroepskrachten voorschoolse educatie op peil blijft. Je voert het uit, evalueert het elk jaar en past het zo nodig aan (lid 4).
Een gediplomeerde medewerker die aantoonbaar is ingeschreven voor de vve-scholing, telt tijdelijk al mee: hooguit drie maanden voor de start tot twee jaar erna, als die aan de taaleis voldoet en er een volledig gekwalificeerde beroepskracht voorschoolse educatie op de groep staat (artikel 3, lid 3).
Wat er in 2027 verandert
Per 1 januari 2027 kan een beroepskracht in opleiding in de bbl onder voorwaarden meetellen, onder meer na het eerste leerjaar en met een begeleidingsplan (nieuw artikel 3a), en mag het taalniveau ook met niveau B2 worden aangetoond. Per 1 augustus 2027 komt interactief voorlezen bij het keuzedeel, met overgangsrecht voor wie al inzetbaar was (artikel 8).
Tien uur pedagogisch beleidsmedewerker per doelgroeppeuter
Bied je voorschoolse educatie aan, dan zet je een pedagogisch beleidsmedewerker in voor de kwaliteit ervan: voor beleid rond voorschoolse educatie of het coachen van je beroepskrachten voorschoolse educatie (artikel 2a, lid 1 en 2). Die uren komen bovenop de uren die je al voor de gewone opvang inzet.
Het minimum per kindercentrum per jaar reken je zo uit (lid 3 en 4):
- Tel op 1 januari hoeveel kinderen bij je voorschoolse educatie krijgen.
- Tel alleen de kinderen die tussen tweeënhalf en vier jaar oud zijn en tot de doelgroep van de gemeente behoren.
- Vermenigvuldig met tien uur.
- Leg het aantal kinderen van 1 januari vast.
Voorbeeld: op 1 januari 2026 krijgen op een locatie 14 doelgroeppeuters voorschoolse educatie, naast 6 peuters zonder indicatie. Het minimum voor 2026 is 14 × 10 = 140 uur, bovenop de gewone inzet. De 6 peuters zonder indicatie tellen niet mee, en een peuter die in maart een indicatie krijgt telt voor 2026 ook niet mee.
Het programma en het pedagogisch beleidsplan
Je werkt met een programma dat de ontwikkeling gestructureerd en samenhangend stimuleert op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling (artikel 5). Volgens het Nederlands Jeugdinstituut is opname in de databank Effectieve jeugdinterventies geen wettelijke eis, maar gemeenten kunnen wel eisen dat je met een programma uit die databank werkt.
In het pedagogisch beleidsplan beschrijf je zo concreet en toetsbaar mogelijk onder meer je visie op voorschoolse educatie, hoe je de ontwikkeling volgt en het aanbod daarop afstemt, hoe je ouders betrekt, de ruimte en materialen, de overgang naar de basisschool, de 960 uur en de inzet van de beleidsmedewerker (artikel 4a). Je evalueert de uitvoering elk jaar. De oudercommissie heeft adviesrecht over je beleid voor voorschoolse educatie (artikel 1.60 Wet kinderopvang).
Gaat een kind naar de basisschool, dan geef je door welk programma het volgde en hoe lang (artikel 160, lid 3 Wet op het primair onderwijs).
Toezicht: GGD en Inspectie van het Onderwijs
Dat je voorschoolse educatie aanbiedt, staat in het Landelijk Register Kinderopvang (artikel 1.46, lid 4 Wet kinderopvang). De GGD inspecteert je kindercentrum jaarlijks namens de gemeente en kijkt daarbij ook naar de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie. Vindt de GGD daarin tekortkomingen, dan stuurt die het rapport ook naar de gemeente en de Inspectie van het Onderwijs (artikel 1.63, lid 6). Meer over die inspectie lees je bij LRK en GGD-inspectie.
De Inspectie van het Onderwijs kijkt breder dan de basisvoorwaarden: ook naar ouderbetrokkenheid, de kwaliteit van de educatie, ontwikkeling en begeleiding, kwaliteitszorg en de doorgaande lijn naar de basisschool (artikel 15i Wet op het onderwijstoezicht). Ze rapporteert aan jou en de gemeente, en kan ook uit eigen beweging een onderzoek doen.
Geld: subsidie van de gemeente
Voorschoolse educatie is per definitie door de gemeente gesubsidieerd, en de gemeente zorgt voor genoeg plekken (artikel 159 Wet op het primair onderwijs). Hoe de subsidie werkt en wat ouders betalen, regelt elke gemeente zelf, en haar voorwaarden kunnen strenger zijn dan het Besluit. Voor peuters zonder kinderopvangtoeslag of vve-indicatie hebben gemeenten volgens de Rijksoverheid vaak een gesubsidieerd peuteraanbod van een paar korte dagdelen per week.
Veelgemaakte fouten
- Lange dagen meetellen. Een dag van acht uur levert zes uur voorschoolse educatie op, niet acht.
- Rekenen met een gemiddelde week. Zomervakantie, feestdagen en sluitingsdagen vallen in elke periode van anderhalf jaar anders; reken per kind met de echte kalender.
- Een invaller zonder vve-kwalificatie meetellen. Die telt wel voor de gewone ratio, niet voor de één op acht van de voorschoolse educatie.
- De peildatum missen. De uren voor de beleidsmedewerker hangen af van het aantal doelgroeppeuters op 1 januari. Leg dat aantal die dag vast.
- Het opleidingsplan van vorig jaar laten liggen. Het moet elk jaar per locatie opnieuw worden vastgesteld en geëvalueerd.
Veelgestelde vragen
- Hoeveel uur voorschoolse educatie moet ik aanbieden?
- Zoveel dat een kind vanaf de dag dat het tweeënhalf wordt, in anderhalf jaar ten minste 960 uur voorschoolse educatie kan krijgen. Uren boven de zes per dag tellen niet mee. Bij veertig openingsweken per jaar komt dat neer op zestien uur per week.
- Wie bepaalt of een peuter een vve-indicatie krijgt?
- De gemeente. Die maakt met de scholen en de houders van kindercentra afspraken over welke kinderen met een risico op een taalachterstand in aanmerking komen en hoe ze worden toegeleid. Meestal loopt de aanmelding via het consultatiebureau.
- Mag een peutergroep met vve meer dan acht kinderen per beroepskracht hebben?
- Nee. Er staat ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie per acht feitelijk aanwezige kinderen, en de groep telt ten hoogste zestien kinderen. Het Besluit voor voorschoolse educatie kent geen afwijkregeling zoals de drie-uursregeling.
- Hoeveel uur pedagogisch beleidsmedewerker komt er bij voor vve?
- Tien uur per jaar per kind van tweeënhalf tot vier jaar uit de doelgroep van de gemeente dat op 1 januari voorschoolse educatie bij je krijgt. Die uren komen bovenop de uren die je al voor de gewone opvang inzet.
- Wie houdt toezicht op voorschoolse educatie?
- De GGD, bij de jaarlijkse inspectie namens de gemeente, en de Inspectie van het Onderwijs. Vindt de GGD tekortkomingen in de basisvoorwaarden, dan gaat het rapport ook naar de gemeente en de inspectie.
Bronnen
- Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie, artikelen 2 tot en met 6
- Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie, tekst per 1 januari 2027
- Wet kinderopvang, artikelen 1.1, 1.46, 1.50a, 1.50b, 1.60 en 1.61 tot en met 1.63
- Wet op het primair onderwijs, artikelen 159 en 160
- Wet op het onderwijstoezicht, artikelen 15h tot en met 15k
- Rijksoverheid, wat is voorschoolse en vroegschoolse educatie (vve)
- Rijksoverheid, kosten kinderopvang in Nederland
- Nederlands Jeugdinstituut, vve-programma's en de databank Effectieve jeugdinterventies
Dit artikel geeft uitleg over de regels zoals ze golden op 28 oktober 2026. Het is geen juridisch advies; bij twijfel geldt de tekst van de bron.