Mentor en vaste gezichten in de kinderopvang
Elk kind een mentor en in de dagopvang een beperkt aantal vaste beroepskrachten. Wat het Besluit kwaliteit kinderopvang vraagt over stamgroepen, vaste gezichten en het mentorschap, met de uitzonderingen.
Bijgewerkt op · 5 min lezen
Jonge kinderen hebben vaste, vertrouwde gezichten om zich heen nodig. Daarom vraagt het Besluit kwaliteit kinderopvang dat een kind in de dagopvang in één stamgroep zit, een beperkt aantal vaste beroepskrachten heeft en een mentor. In de buitenschoolse opvang gelden lichtere regels. In dit artikel lees je wat er precies wordt gevraagd en welke uitzonderingen er zijn.
De stamgroep
In de dagopvang vindt de opvang plaats in stamgroepen, en een kind wordt opgevangen in één stamgroep (artikel 9, lid 1). De houder vertelt de ouders en het kind tot welke stamgroep het kind behoort en welke beroepskrachten op welke dag aan die stamgroep zijn toegewezen (lid 3).
Een kind maakt in een week gebruik van ten hoogste twee verschillende stamgroepruimtes (lid 6). Met vooraf gegeven schriftelijke toestemming van de ouders mag een kind voor een afgesproken periode in één andere stamgroep worden opgevangen (lid 9). Tijdens die periode mag je afwijken van de vaste gezichten en van het maximum van twee stamgroepruimtes. Zie stamgroep en groepsgrootte.
Verlaten kinderen de stamgroep voor een activiteit die het pedagogisch beleidsplan beschrijft, zoals een uitstapje of een activiteit met andere groepen, dan gelden de eis van één stamgroep en de maximale groepsgrootte even niet; verlaten ze de stamgroepruimte, dan telt die activiteit ook niet mee voor de twee ruimtes (lid 7).
Vaste gezichten
Het vaste-gezichtencriterium bepaalt hoeveel vaste beroepskrachten aan een kind worden toegewezen. Per dag werkt er ten minste één van hen in de stamgroep van het kind.
| Leeftijd kind | Groep werkt met 1 of 2 beroepskrachten tegelijk | Groep werkt met 3 of meer tegelijk |
|---|---|---|
| tot 1 jaar | ten hoogste 2 vaste beroepskrachten | ten hoogste 3 |
| 1 jaar en ouder | ten hoogste 3 vaste beroepskrachten | ten hoogste 4 |
Deze regels staan in artikel 9, lid 4 en 5. Ze zijn per 1 juli 2023 aangepast.
Voorbeeld
Noor is acht maanden en zit in de babygroep Rupsjes, waar meestal twee beroepskrachten tegelijk werken. Aan Noor worden twee vaste beroepskrachten toegewezen: Fleur (maandag tot en met woensdag) en Ayse (woensdag tot en met vrijdag). Noor komt op maandag en donderdag. Op maandag werkt Fleur in de groep, op donderdag Ayse: elke dag dat Noor er is, ziet ze een vast gezicht.
Wordt Noor één jaar, dan mogen het er drie zijn. Gaat de groep Rupsjes later met drie beroepskrachten tegelijk werken, dan mogen het er voor Noor vier zijn.
Wanneer je mag afwijken
Flexibele opvang
Voor een kind dat volgens de overeenkomst op dagen komt die per week verschillen, gelden de eis van één stamgroep, de vaste gezichten en het maximum van twee stamgroepruimtes niet (artikel 9, lid 8). Dat is het geval bij flexibele opvang.
Tijdelijke afwezigheid van een vaste beroepskracht
Is een vaste beroepskracht er niet, dan mag je afwijken van de eis dat er elke dag een vast gezicht in de stamgroep werkt, als aan alle voorwaarden van artikel 9a is voldaan:
- de vaste beroepskracht is korter dan vier weken aaneengesloten afwezig, door ziekte, vakantie of verlof;
- er zijn aan het kind ten hoogste drie vaste beroepskrachten toegewezen;
- je hebt de andere vaste beroepskrachten van het kind gevraagd om in te vallen, zonder resultaat;
- je houdt je aan wat het pedagogisch beleidsplan daarover zegt.
Een beroepskracht in opleiding als vast gezicht
Een beroepskracht in opleiding mag als vaste beroepskracht worden toegewezen als die meetelt voor de beroepskracht-kindratio, het eerste leerjaar van de opleiding aantoonbaar heeft afgerond, en er een schriftelijk begeleidingsplan is waarmee de beroepskracht in opleiding, de praktijkbegeleider en de opleidingsbegeleider hebben ingestemd (artikel 9b).
De mentor
Elk kind krijgt een mentor: in de dagopvang (artikel 9, lid 11) en in de buitenschoolse opvang (artikel 18, lid 5). De mentor is een beroepskracht van het kind, dus iemand die het kind ook echt op de groep ziet.
| Dagopvang | Buitenschoolse opvang | |
|---|---|---|
| Wie | een beroepskracht van het kind | een beroepskracht van het kind |
| Ontwikkeling bespreken met ouders | periodiek | indien wenselijk |
| Aanspreekpunt | voor de ouders | voor de ouders en het kind |
De ouders moeten weten wie de mentor is. Leg daarom vast wie de mentor van elk kind is, sinds wanneer, en wanneer je dat aan de ouders hebt laten weten. Gaat een mentor weg of wisselt een kind van groep, dan wijs je een nieuwe mentor toe.
De bso
In de buitenschoolse opvang vindt de opvang plaats in basisgroepen van ten hoogste 30 kinderen; een kind zit in één basisgroep (artikel 18). Met vooraf gegeven schriftelijke toestemming van de ouders kan een kind voor een afgesproken periode in één andere basisgroep worden opgevangen. Het vaste-gezichtencriterium geldt in de bso niet, de mentor wel.
Wat je bijhoudt
Om aan te tonen dat je aan de regels voldoet, houd je per kind bij:
- de stamgroep, en een eventuele tweede groep met de toestemming van de ouders en de periode;
- de vaste beroepskrachten, en of er op elke opvangdag een van hen in de groep werkte;
- de mentor, en wanneer de ouders dat hoorden.
Veelgestelde vragen
- Hoeveel vaste gezichten mag een baby hebben?
- Een kind tot één jaar heeft ten hoogste twee vaste beroepskrachten. Werkt de stamgroep vanwege de grootte met drie of meer beroepskrachten tegelijk, dan ten hoogste drie. Elke dag werkt er ten minste één van hen in de stamgroep van het kind.
- Hoeveel vaste gezichten mag een kind van één jaar of ouder hebben?
- Ten hoogste drie, of vier als de stamgroep met drie of meer beroepskrachten tegelijk werkt. Ook hier werkt er elke dag ten minste één in de stamgroep van het kind.
- Gelden de vaste gezichten ook voor de bso?
- Nee. Het vaste-gezichtencriterium staat in artikel 9 en geldt voor de dagopvang. Wel krijgt elk kind in de bso een mentor (artikel 18, lid 5).
- Wat doet een mentor?
- De mentor is een beroepskracht van het kind, bespreekt de ontwikkeling van het kind met de ouders en is hun aanspreekpunt bij vragen over de ontwikkeling en het welbevinden van het kind. In de dagopvang gebeurt dat periodiek, in de bso als het wenselijk is.
- Mag een kind in twee groepen worden opgevangen?
- In de dagopvang gebruikt een kind per week ten hoogste twee stamgroepruimtes. Met vooraf gegeven schriftelijke toestemming van de ouders kan een kind voor een afgesproken periode in één andere stamgroep worden opgevangen.
Bronnen
- Besluit kwaliteit kinderopvang, artikelen 9, 9a, 9b en 18
- Rijksoverheid, Vaste gezichten en groepen kinderopvang
Dit artikel geeft uitleg over de regels zoals ze golden op 28 oktober 2026. Het is geen juridisch advies; bij twijfel geldt de tekst van de bron.